Thomas Buffel kondigt einde carrière aan

Afscheid van een icoon. Thomas Buffel (38) kondigt vandaag na 22 jaar het einde aan van zijn indrukwekkende carrière. “Ik ben voor 99% zeker, maar nu moet ik wel.”

“Ik stop. ’t Is mooi geweest.” Na maanden piekeren krijgt Thomas Buffel het eindelijk over zijn lippen. De teller stopt op 762 wedstrijden. Een beslissing die misschien evident lijkt, maar dat allerminst was. “Mentaal draai ik nog steeds wat cirkeltjes”, geeft hij toe. “Na ruim twintig jaar afscheid nemen van je grootste passie is moeilijk. Daarom wachtte ik ook zo lang om het openbaar te maken. Tot ná het seizoen. Ik wou niet dat er te veel nadruk zou liggen op mijn laatste match. Zeker omdat mijn band met Genk groter was dan die met Zulte Waregem. (lachje) Misschien dringt het beter door nu het nieuws de wijde wereld ingaat.”

Straks stromen de vele lofbetuigingen ongetwijfeld toe. Vanuit België, Nederland en Schotland. Overal waar Buffel kwam, droegen ze hem op handen. In Glasgow kennen ze de aanvaller als een kampioenenmaker. Bij Feye­noord als de man die met zijn dribbels de Kuip deed daveren. En in Racing Genk als het clubmonument met de meeste matchen aller tijden. Zelfs fans en spelers van tegenstanders erkenden de klasse van Buffel. Wie het wereldje een beetje kent, weet hoe zeldzaam dat iMooiste moment

“Het voetbal heeft me veel gegeven”, mijmert Buffel. “Mijn mooiste ­moment? (twijfelt lang) Collectief wellicht de titel met Genk – de ontlading was enorm. Alhoewel, met Rangers op de laatste speeldag kampioen worden was ook een ongelooflijke climax. En individueel misschien mijn debuut bij Feye­noord. Voor het eerst door de tunnel stappen met het oorverdovende ­geluid van het sta­dion... (blaast) Daar realiseerde ik dat mijn voetbaldroom in vervulling was gegaan.”

Buffel kende naast vele hoogtepunten ook tegenslagen. Het verlies van zijn geliefde Stephanie, een operatie aan beide knieën bij Rangers, trainers die niet in hem geloofden. Steeds knokte Buffel terug. “Daar moet ik veel mensen voor bedanken. In de eerste plaats mijn ouders, die me alle kansen gaven om mijn loopbaan uit te bouwen. Ontelbaar veel kilometers in de wagen en mijn moeder die tot ’s avonds laat achter de potten stond. En Stephanie... (krijgt het moeilijk) In mijn carrière was zij de constante factor. Ze gaf misschien haar eigen dromen op om mij te ondersteunen. Daarnaast stonden er veel ­familie en vrienden klaar op de moeilijke momenten.”

Dit seizoen drong bij Buffel steeds nadrukkelijker het idee door om zijn schoenen aan de haak te hangen. “Vooral de voorbije maanden waren intensief. Lange dagen waarbij ik pendelde tussen Waregem, het ziekenhuis met Annabel (toen zwanger van een zoontje Lionel, red.) en mijn kids. Tot de winterstop speelde ik nog alles, maar dan was ik nooit meer honderd procent door een vervelende enkelblessure waar ik niet van verlost geraakte. Dat ­zette me aan het denken. Ik ben 38, dan is nog een jaar pendelen niet meer nodig.”

Maar wat brengt de toekomst nu zijn carrière erop zit? “Mijn inbox loopt vol met reacties om T1 of T2 te worden bij Genk”, grijnst Buffel. “Er polste al een club voor een rol als ­assistent-coach en speler. Blijkbaar is dat populair tegenwoordig. Maar misschien kom ik beter even tot rust. Als er nu een aanbieding voorbijkomt, zal het een héél goeie ­moeten zijn. Dan ligt het verhaal als ­analist iets meer voor de hand. Op die manier heb ik iets meer tijd om mij voor te bereiden op een trainers­carrière, door veel matchen te bekijken, een beetje zoals Gert Verheyen. Ik krijg ook een pak ­extra-sportieve aanbiedingen uit de bedrijfs­wereld. Een headhunter contacteerde me zelfs om ergens sportief directeur te worden. Ik zal moeten filteren en het juiste moment kiezen.”

Alleen voltijds verder voetballen is uitgesloten. Tóch? Buffel schaterlacht: “Ik ben het eigenlijk maar voor 99% zeker. Nog altijd zit ik met de vraag: wat als er binnen een week een aanbieding komt? Het blijft voor mij moeilijk om de deur definitief dicht te slaan, hé. (knipoogt) Maar als dit artikel morgen in de krant staat, moet ik wel stoppen, dus doe maar (lacht). Ach, er zijn nog spelers die ooit hun comeback maakten.”